
Dat er grenzen zijn aan de rekkelijkheid van het geweten, zit in de menselijke natuur. Maar dat universele normbesef dat we de natuurwet noemen, houdt niet veel meer in dan een paar taboes (en dan nog) en vooral een besef dat je door wanordelijk gedrag vooral je eigen leven en dat van je nakomelingen op het spel zet. Grandioos is die zedelijke code dus niet.
Moraaltheologen noemen de natuurwet wel eens “de wet van de redelijke orde”. Onze rede is haar gewaar. Die redelijk te ontdekken natuurwet staat nochtans niet gebruiksklaar in de rekken van ons verstand. Zij is geen pakje morele instantsoep. Ze moet worden geactualiseerd in de context van de evoluerende beschaving en in de concrete voorvallen van het leven. Meer nog, de christelijke moraal is niet zomaar redelijk, ze is oproep tot menselijke waardigheid en naastenliefde. Een roeping dus, en roeping gaat het verstand te boven.
Moraaltheologen zeggen ook wel eens dat de natuurwet uitgaat van “de neigingen gebaseerd op de lichamelijk-geestelijke constitutie van de mens”. Ik dacht dat cultuur en derhalve zedelijke cultuur er precies uit bestaat dat de mens een humaniteit tegemoet gaat die ver uitstijgt boven onze natuur en onze neigingen (lees: instincten).
Mijn grootste bezwaar tegen het kerkelijke gebruik van het begrip ‘natuurwet’ is dat de evolutionaire psychologie, de antropologie en de biologie inmiddels hebben aangetoond dat de menselijke natuur niet zo nobel geïntentioneerd is. Ze gaat in wezen uit van het adagium “fressen oder gefressen werden”.
De ‘natuur’ van de mens, dat wil zeggen datgene wat hij van de natuur heeft overgenomen en waarin hij niet verschilt van de dieren, is niets anders dan zelfbehoud en de overlevingsdrang van zijn zelfzuchtige genen. De natuur is wreed, geil en racistisch. ‘Van nature’ is de mens dat ook. Als ik dus de natuurwet moet volgen, mag ik mijn opponent de kop inslaan, al diens vrouwen tot de mijne maken en mijn gebied afgrendelen voor leden van een andere stam/ras.
Ik weet wel dat de Kerk iets anders bedoelt, maar haar natuurbegrip stamt uit een in de nevelen van de geschiedenis verdwenen filosofie. Je kunt die terminologie dus niet meer gebruiken. Wat de Kerk ‘natuur’ noemt, is geen natuur maar net datgene wat de mens onderscheidt van de rest van de natuur. Cultuur dus. Of antropologie, in de theologische betekenis van het woord (niet in de cultuurwetenschappelijke).
De Kerk en de paus weten dat ook wel en daarom voegen ze daar altijd aan toe dat de natuurwet alleen slaat op de neigingen van de menselijke constitutie “in de mate dat ze betrekking hebben op de menselijke persoon en diens authentieke verwezenlijking”. Maar als je de ‘natuur’ slechts inroept als het pas geeft, dan is het een erg zwak argument.
Onze moraliteit is geen natuurwet maar een cultuurwet, in de edelste betekenis van cultuur: de opstand van de mens tegen de natuur die hem dier wil laten zijn. Moraal is in alle betekenissen van het woord ‘opstaan’. Als de Kerk dat als haar argument inbrengt, is ze niet alleen oprecht maar brengt ze ook haar moraal au diapason van haar geloof dat de ‘opstanding’ als kern heeft.
Mark Van de Voorde is publicist en raadgever van de Belgische premier Yves Leterme en van de Belgische vicepremier en minister van Buitenlandse Zaken Steven Vanackere. Hij schrijft op persoonlijke titel.